Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF2143

Datum uitspraak2003-03-07
Datum gepubliceerd2003-03-07
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
ZaaknummersC01/197HR
Statusgepubliceerd


Conclusie anoniem

Rolnr. C01/197 mr J. Spier Zitting: 6 december 2002 Conclusie inzake [Eiser] tegen 1. [Verweerster 1] 2. [Verweerder 2] De inzet van het geding en de beslissing van Rechtbank en Hof 1. Deze procedure is een uitvloeisel van een aantal eerdere procedures. [Eiser] vordert thans van [verweerder] vergoeding van de schade die het gevolg zou zijn van een beroepsfout van [verweerder]. 2. Dat van een beroepsfout sprake is, staat tussen partijen vast. De vraag die hen verdeeld houdt, is of [eiser] schade heeft geleden door deze fout. 3. De kern van het geschil betreft de vraag of [eiser] een vordering had op [betrokkene 1]. De Rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord en is op die grond tot de slotsom gekomen dat van door [eiser] geleden schade geen sprake is. Daarom heeft zij de vordering afgewezen. 4. Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. In het in cassatie bestreden arrest wordt geoordeeld dat de Rechtbank "op goede gronden tot de juiste conclusie (is) gekomen" (rov. 5). Het Hof heeft daaraan - klaarblijkelijk ten overvloede - een aantal eigen overwegingen toegevoegd. 5. In het tijdig ingestelde cassatieberoep trekt [eiser] ten strijde tegen 's Hofs overwegingen ten overvloede. Bespreking van de klachten 6. De door de Rechtbank ter motivering van haar oordeel bijgebrachte gronden kunnen afwijzing van de vordering dragen. Nu het Hof deze motivering heeft overgenomen en daartegen geen klachten zijn gericht, missen de wél geformuleerde klachten belang. Het beroep ligt daarmee voor verwerping gereed. 7. Ten overvloede sta ik nog kort stil bij de klachten van het eerste middel waarvan de eerste twee onderdelen geen zelfstandige klachten behelzen. 8. Het Hof heeft in rov. 5 onder 8 stilgestaan bij een stelling in een eerdere procedure van de advocaat van [betrokkene 1], mr Mulder. Mr Mulder beriep zich op een brief van de toenmalige advocaat van [eiser]. Het Hof heeft [eiser] tijdens de pleidooien gevraagd om die brief in geding te brengen. [Eiser] heeft dat, blijkens het arrest (rov. 5 onder 9), geweigerd. Daaruit heeft het Hof de conclusie getrokken dat de weergave van mr Mulder van de brief juist is. 9. Het middel verwijt het Hof, naar ik begrijp, eraan voorbij te hebben gezien dat [eiser] de juistheid van de brief niet heeft erkend. Deze klacht gaat langs 's Hofs onder 8 vermelde redenering heen. De klacht laat na aan te geven waarom het Hof uit de weigering de brief over te leggen niet de conclusie heeft mogen trekken dat de door mr Mulder gestelde inhoud juist is. 10. Anders dan onderdeel 1.3 veronderstelt, behoefde het Hof ter zitting niet aan te geven de brief van cruciaal belang te achten, nog daargelaten dat de brief in 's Hofs redenering slechts één van de argumenten vormt en dus niet doorslaggevend is. Uit het feit dat het Hof om overlegging van de brief heeft gevraagd, kon [eiser] geen andere conclusie trekken dan dat het Hof die brief van belang achtte. 11.1 Onderdeel 1.2 kant zich in de eerste plaats tegen 's Hofs oordeel dat de Rechtbank in deze procedure als vaststaand zou hebben aangenomen hetgeen in rov. 5 onder 3 achter het vierde gedachtestreepje is vermeld. 11.2 Voorts wordt het Hof verweten dat het melding heeft gemaakt van hetgeen in een eerdere procedure door de Rechtbank Amsterdam als vaststaand is aangenomen hetgeen in rov. 5 onder 4 is vermeld. 12. Zelfs als zou worden aangenomen dat de klacht, weergegeven onder 11.1, voldoet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. kan zij [eiser] niet baten omdat zij feitelijke grondslag mist. In rov. 5 onder 3 vermeldt het Hof immers slechts hetgeen de getuige [getuige 1] zou hebben verklaard. 13. De onder 11.2 weergegeven klacht is geen beter lot beschoren, al aannemend dat zij aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. zou voldoen. Dat, zoals het onderdeel stelt, [eiser] in een latere procedure heeft aangevoerd dat de Rechtbank in een eerdere procedure van onjuiste stellingen is uitgegaan, wist die eerdere vaststelling als zodanig niet weg. 14. De onderdelen 1.4 en 1.5 voldoen niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. De klacht dat het Hof heeft miskend dat [getuige 1] op eigen naam heeft verkocht, verliest uit het oog dat ook het Hof daar expliciet van uitgaat (rov. 6). 15. Voorzover middel I rechtsklachten bedoelt te vertolken, is mij niet duidelijk wat deze precies inhouden. 16. De klachten van de middelen II en III worden - telkens blijkens het tweede onderdeel - voorgedragen uitgaande van de veronderstelling dat het eerste middel slaagt. Nu dat niet het geval is, behoeft op die klachten niet te worden ingegaan. Conclusie Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Advocaat-Generaal


Uitspraak

7 maart 2003 Eerste Kamer Nr. C01/197HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [Eiser], wonende te [woonplaats], EISER tot cassatie, advocaat: mr. P. Garretsen, t e g e n 1. [Verweerster 1], gevestigd te [vestigingsplaats], 2. [Verweerder 2], wonende te [woonplaats], VERWEERDER in cassatie, advocaat: mr. R.V. Kist. 1. Het geding in feitelijke instanties Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploit van 18 juni 1997 verweerders in cassatie - tezamen verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Rotterdam en - na wijziging van eis - gevorderd [verweerder] bij vonnis, voor zover wettelijk toelaatbaar uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk, des dat de een betalende de al zal zijn gekweten, te veroordelen om aan [eiser] te betalen: - een bedrag van ƒ 220.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 oktober 1984, althans vanaf 26 juli 1996, althans vanaf de dag der dagvaarding; - een bedrag van ƒ 3.633,39, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de inleidende dagvaarding; - een bedrag van ƒ 18.964,24 aan buitengerechtelijke incassokosten, berekend volgens het tarief van de Nederlandse Orde van Advocaten; - een bedrag van ƒ 17.327,46 aan kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de conclusie van repliek (9 juli 1998); Voorts heeft [eiser] zijn eis vermeerderd en gevorderd [verweerder] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten waaronder begrepen de kosten van de ten laste van [verweerder] gelegde beslagen. [Verweerder] heeft de vordering bestreden. De Rechtbank heeft bij vonnis van 27 mei 1999 de vordering van [eiser] afgewezen. Tegen dit vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Ter rolzitting van 7 december 2000 heeft [eiser] zijn eis verminderd en gevorderd [verweerder] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn gekweten, te veroordelen om aan [eiser] te betalen: - een bedrag van ƒ 148.927,--, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 oktober 1984, althans vanaf 26 juli 1996, althans vanaf 18 juni 1997; - een bedrag van ƒ 8.627,81 aan buitengerechtelijke incassokosten, berekend volgens het tarief van de Nederlandse Orde van Advocaten; - een bedrag van ƒ 13.432,46 aan kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juli 1998, en - [verweerder] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten waaronder begrepen de kosten van de ten laste van [verweerder] gelegde beslagen. Bij arrest van 18 januari 2001 heeft het Hof het vonnis van de Rechtbank bekrachtigd. Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht. 2. Het geding in cassatie Tegen het arrest van het Hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten. De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep. De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 20 december 2002 op deze conclusie gereageerd. 3. Beoordeling van de middelen De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Beslissing De Hoge Raad: verwerpt het beroep; veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] op € 2.090,66 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris. Dit arrest is gewezen door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, P.C. Kop en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 7 maart 2003.